Nijmegen1
Nijmegen is één van de oudste steden in Nederland en ook één van de
vroegste Nederlandse plaatsen waar munten werden geslagen. De Latijnse naam
NOVIOMAGUM (nieuw Megen) stamt uit de Romeinse tijd. Er was toen een Romeins
garnizoen gevestigd waardoor Nijmegen tot grote bloei kwam. De vroegste muntslag
is te dateren zo rond 600 na Christus. Er werden toen munten geslagen in
opdracht van de Merovingische vorsten. In de middeleeuwen viel de stad Nijmegen
onder het gezag van de Duitse keizers. Er zijn toen in de 12e en 13e eeuw munten
geslagen op naam van de keizers van het Duitse rijk. Dit waren kleine zilveren muntjes
die bekend staan onder de naam penningen. In 1247, gedreven door geldgebrek,
verpandt Rooms koning Willem van Holland de stad aan Otto II, graaf van
Gelderland. Vanaf die tijd zijn de Gelderse munten zowel te Nijmegen als te
Arnhem geslagen.
Zo
rond de 2e helft van de 15e eeuw begon Nijmegen munten te slaan op naam van de
stad zelf. De inkomsten die uit de muntslag voortvloeiden gingen nu naar de stad
zelf in plaats van naar de graaf van Gelderland. Deze had dan ook gelijk grote
bezwaren tegen de eigen stedelijke muntslag. Nijmegen beriep zich in geval van
klachten echter op hetzelfde privilege als de stad Aken. Dit privilege hadden de
beide steden in het verleden van de Duitse keizer ontvangen. De graaf van
Gelderland kon deze privileges niet geheel weerleggen maar erg duidelijk waren
ze nou ook weer niet zodat de Nijmeegse munt altijd een twistpunt bleef in het
oog van de zogenaamde officiële overheden. In 1561 wordt de stad Nijmegen zelfs
gedagvaard door de Duitse keizer zelf (Ferdinand) om hun muntrecht te komen
bewijzen. De briefwisseling en uitzoekerij die hierop volgt heeft uiteindelijk
tot gevolg dat de Duitse keizer (inmiddels keizer Maximiliaan) Nijmegen tegemoet
komt. De stad mag munten blijven slaan echter volgens de wetten van het Duitse
rijk. Tevens moeten de muntbussen jaarlijks worden ingeleverd om gecontroleerd
te worden door de keurmeesters van de Nederlands-Westfaalse kreitzen.
De Statenmunten van Gelderland zijn ook in het munthuis van Nijmegen geslagen.
In 1584 werd de munt echter vanwege de Spaanse oorlogsdreiging verplaatst naar
Harderwijk. De stad werd in 1586 door de Spanjaarden ingenomen, zij hebben er
toen van 1587 tot 1591 oorden en duiten geslagen op naam van Philips II. Na
de herovering van de stad door de Staatse troepen in 1591 werd de Spaanse munt
gesloten. In 1594 laat Nijmegen het muntrecht afkopen door de Staten-Generaal
voor het bedrag van 3000 gulden per jaar. Begin 17e eeuw werd het munthuis te
Nijmegen toch weer geopend. Dit stedelijke munthuis waar volgens de wetten van
het Duitse rijk werd gemunt was zeer tegen de zin van de Staten-Generaal die
juist in deze tijd het muntwezen in de Nederlanden probeerde te reorganiseren.
De eerste stedelijke koperen duiten zijn mogelijk allen geslagen onder
muntmeester Reijnier Hanssen in de periode 1602-1605. De duiten die wel aan deze
periode worden toegeschreven zijn de exemplaren die over liards van Ferdinand en
Isabella zijn geslagen (uit de zuidelijke Nederlanden). Het was waarschijnlijk
goedkoper om deze munten voor dit doel te gebruiken dan om zelf muntplaatjes te
gaan vervaardigen. De duiten van Nijmegen lijken erg veel op de Hollandse types
maar hebben een andere tekst en uiteraard de stadsnaam van Nijmegen op de
keerzijde. Na de dood van Reijnier Hanssen in 1606 heeft de munt wederom stil
gestaan in ruil voor een afkoopsom. Ditmaal ging het om een bedrag van 2000
gulden per jaar. In 1618 gaat de munt echter weer open met als muntmeester
Jacques de Mey (daarvóór te Batenburg werkzaam geweest). Na Jacques de Mey
heeft de munt weer stilgestaan tot ca. 1685. Nijmegen bleef echter wel lid van
de Duitse kreis voor het geval dat zij weer zou besluiten om te gaan munten. In
1685 werd de munt inderdaad heropend met als muntmeester Gerrit van Harn. In
1694 werd wederom een akkoord gesloten tussen de rijkssteden (waar ook Nijmegen
onder viel) en de Generaliteit van de verenigde Nederlanden. Zij kwamen overeen
dat de steden jaarlijks een bedrag van 4000 gulden kregen als zij het munten
staakten. In 1703 en 1704 zijn er echter toch weer enkele (slechte) munten
geslagen. De stad Nijmegen heeft hierna nog tot 1808 de uitkering voor het
sluiten van de munt ontvangen voordat deze in 1809 bij koninklijk besluit werd
gestaakt (door koning Lodewijk Napoleon, broer van keizer Napoleon).
Officieren op de munt te Nijmegen (voor zover bekend)
| MUNTMEESTERS: |
VAN - TOT: |
INFO: |
Arnt van Ochteren |
1457 - 1463? 1470 - 1473 1492 - 1496 1498 - 1523 1523 - 1526 1526 - 1536 1538 - 1558 1558 - 1586 1584 1586 - 1591 1596 1597 1602 - 1605 1618 - 1620 1685 - 1692 1703 - 1704 |
mmt: blaadje mmt: granaatappel of tinhaken Onder Spaans gezag mmt: knol mmt: ster? mmt: morenhoofd mmt: morenhoofd |
| STEMPELSNIJDERS: |
VAN - TOT: |
INFO: |
| Peter Venboet? Arndt die Greff Hendrik Noster Goossen Sluijsken Peter van Duren Johan Sluyter |
Ca. 1474 1562 Ca. 1583/84 1588 - 1618 - 1620? 1685 - 1692 |
Onder Spaans gezag |
| WAARDIJNS: |
VAN - TOT: |
INFO: |
| Bartholomeus ter Claere Johan Koets Johan Wijntgens Johan Koets Peter van Duren Herman Mathijsen Tijdelijke burgemeesters |
1539 - 1558 1558 - 1567 1567 - 1571 1571 - 1583 Ca. 1602 - 1620 1620 - 1621 1685 - 1692 |
| ESSAYEURS: |
VAN - TOT: |
INFO: |
| Dirk Aeltst van Harderwijk Adriaen Marinus |
1588 - 1685 - 1692 |
Onder Spaans gezag Broer van Egbertus Marinus, muntmeester te Friesland. |
| MUNTGEZELLEN: |
VAN - TOT: |
INFO: |
| Bastiaan Bekem Bernt ten Oirt Johan Gijsbert de Jonge Jacob Pluit |
1565 - 1576 ca. 1583 Ca. 1685 |
In de lijst van muntmeesters komen we enkele namen tegen waarover meer bekend is2. Bijvoorbeeld over Jaspar Vlemminck en zijn zoon Derick Vlemminck. Jaspar
Vlemminck was de zoon van Lambert Vlemminck ook van Osenberg genoemd. Deze
bijnaam had hij te danken aan het feit dat hij bisschoppelijk muntmeester van
Osnabrück was geweest. Verder was hij muntmeester geweest te Roermond en
Zaltbommel voor de graaf van Gelre. Deze Lambert Vlemminck komt in 1531 op de
hoge leeftijd van 92 jaar nog aan een jammerlijk einde. Als hij naar Osnabrück
terugkeert om daar zijn laatste dagen te slijten wordt hij daar alsnog
beschuldigd van valsemunterij gedurende zijn werkzaamheden als muntmeester
aldaar. Hij wordt op de pijnbank gelegd en tenslotte terechtgesteld door middel
van het zieden in kokende olie. Jaspar Vlemminck, de zoon van Lambert is
muntmeester van Nijmegen van 1538-1558 (aangesteld op 15 augustus 15384). Hij is daarvoor ook muntmeester te Roermond, Mühlheim, Bergh, Maastricht, Luik en Groningen geweest. Jaspar
Vlemminck wordt na problemen met de magistraat van Nijmegen in 1558 opgevolgd
door zijn zoon Derick Vlemminck. Deze heeft enige tijd Jaspar Wijntgens als
adjunct op de munt gehad. Na 1584 is de situatie wat duister, in dat jaar komt
Clemens van Eembrugge voor als muntmeester maar verdwijnt weer snel uit beeld.
In 1586 wordt de stad ingenomen door de Spanjaarden en wordt het munthuis een
koninklijke munt. Hier slaat Johan Gijsbert de Jonge o.a. duiten en oorden. Na
de herovering van Nijmegen door de Staatse troepen is waarschijnlijk Derick
Vlemminck weer muntmeester hoewel er geen munten zijn geslagen na de bevrijding.
Zijn broer Hans Vlemminck vlucht omstreeks 1594 naar Nijmegen. Hij probeert daar
uit handen te blijven van de Staten-Generaal die hem wegens valsemunterij en
hagemunterij willen vervolgen. Ook de hagemunter Hendrik Hanssen vlucht
omstreeks die tijd naar Nijmegen. Hans Vlemminck wordt in 1594 echter door de
Nijmeegse magistraat in arrest genomen en veroordeeld. Waarvoor hij veroordeeld
is en wat voor straf hij heeft gekregen is echter niet bekend.
De hagemunter Hendrik Hanssen wordt in 1596 kort vermeld als muntmeester maar
wordt in dat jaar gearresteerd in Gorinchem waarna wederom Derick Vlemminck
wordt vermeld (1597). De vermelding van muntmeesters na 1594 is enigszins een
raadsel omdat de stad het muntrecht in 1594 had laten afkopen en het munthuis
tot 1602 gesloten was. In 1601/02 wordt
Reijnier Hanssen muntmeester. Hij was de zoon van Hendrik Hanssen? of Johan
Knol? Deze was getrouwd met de weduwe van Reijnier van Eembrugge. Zij had uit
dat huwelijk twee zoons, Cornelis en Anthonis van Eembrugge. Deze werden bekend
als twee beruchte valsemunters/hagemunters. Reijnier Hanssen sterft op 31
december 1606 en is te Nijmegen in de Sint Stevens kerk begraven. De munt is
kort voor zijn overlijden gesloten in ruil voor een afkoopsom van Fl. 2000,-. De
ex-muntmeester van Batenburg, Jacques de Mey, weet de munt in 1618 weer geopend
te krijgen met Joost Vlemminck als zijn adjunct. De Fl. 2000,- die de stad zal
gaan mislopen bij heropening van de munt compenseert hij door deze zelf aan de
stad uit te keren uit eigen zak. Lang heeft zijn muntperiode echter niet
geduurd. Hij en de waardijn Peter van Duren worden in 1620 opgepakt vanwege
klachten over zijn munten. Hij werd o.a. beschuldigd van het maken van slechte
dubbele stuivers en het in zijn eigen zak steken van de opbrengsten uit de munt.
Na een onderzoek van de dubbele stuivers door de Generaal waardijn van de Duitse
kreis Philip van Aldendorff, kwam waardijn Peter van Duren weer vrij. Jacques de
Mey ontvlucht het gevang en ontsnapt naar Duitsland. Het munthuis wordt gesloten
en de stad ontvangt weer de afkoopsom van de Staten-Generaal.
Gerrit (Gerard) van Harn3
Over de muntmeester uit de laatste muntperiode van Nijmegen, Gerrit van Harn, is
ook vrij veel bekend. Hij was uit Arnhem afkomstig alwaar hij raadslid was
geweest. Hij wordt op 1 juli 1685 aangesteld als muntmeester voor de duur van 12
jaar. Daarvóór schijnt hij werkzaam te zijn geweest op de munt van Emmerich.
De muntwerkplaats zal worden ingericht in een gedeelte van het klooster
Mariënburg welke ruimte echter door de muntmeester zelf gehuurd moet worden. In
de periode van zijn muntmeesterschap heeft de munt een paar keer stilgestaan. In
juni 1690 moet van Harn zijn stempels bij de raad inleveren. Waarschijnlijk naar
aanleiding van een schrijven van de Staten-Generaal van 3 mei 1690 waarin wordt
opgeroepen de munt te sluiten. Vooral de schellingen en florijnen die te
Nijmegen werden geslagen waren de Staten-Generaal een doorn in het oog. Op
7 januari 1691 krijgt van Harn de stempels echter weer terug waarna hij met
tussenpozen tot september 1692 heeft gemunt. Hij moet dan weer de stempels en
schroefwerken inleveren omdat het stadsbestuur in overleg is met de
Staten-Generaal over een afkoopsom ter sluiting van de munt. In 1694 wordt deze
overeenkomst inderdaad getekend en ontvangt Nijmegen 4000 gulden per jaar als
afkoopsom voor het sluiten van de munt. In 1703 weet van Harn echter
burgemeester van Romswinkel voor zich te winnen en dient een verzoek in bij het
stadsbestuur om weer te mogen gaan munten. Hij verwijst hierbij naar de afspraak
dat hij aangenomen was voor 12 jaar. Van deze 12 jaar had hij er nog maar 7
gemunt, namelijk van 1685 tot 1692. Op 13 april 1703 wordt zijn verzoek
inderdaad ingewilligd maar hij krijgt pas op 14 juni 1703 het muntgereedschap
terug. Van Harn is waarschijnlijk gelijk begonnen met munten want op 1 september
1703 staan al 2 controleurs van de Raden der Generaal Muntmeesters op de stoep.
Zij worden echter niet binnengelaten en doen daarop
hun beklag bij de raad en zij verhoren de muntgezel, ene Jacob Pluit. Deze
verklaart dat van Harn zeker voor 500 mark aan zilver tot daalders heeft
vermunt. Op 3 september 1703 besluit de stadsraad om het munthuis toch maar weer
te sluiten.
In 1704 is van Harn echter weer bezig met het munten van daalders. Deze daalders
worden te licht bevonden en worden in mei 1704 in diverse provincies verboden
verklaard. De Raad van State stuurt van Harn op 10 juni 1704 een dagvaarding om
zich te komen verantwoorden. Hij komt echter niet opdagen, ook niet na een 2e en
3e oproep in 1705. In 1705 stelt de Raad van State in verband met de kwestie van
de lichte daalders ook een onderzoek in naar een Amsterdamse koopman, een zekere
van Heyningen. Deze zou het benodigde muntmateriaal aan van Harn hebben
geleverd. In 1707 vaardigt de nieuwe burgemeester van Nijmegen, ene Pels, een
arrestatie voor van Harn uit. Hij wordt inderdaad gepakt en wordt in zijn eigen
huis opgesloten en bewaakt. Hij weet echter via een raam te ontsnappen en laat
zich niet meer zien. Hij probeert zich nog wel schriftelijk te verdedigen en
durft zelfs nog te klagen over zijn behandeling door burgemeester Pels. Het mag
allemaal niet meer baten want hij wordt op 20 februari 1709 bij verstek
veroordeeld vanwege hagemunterij. Hij wordt
"ten
eeuwigen dage"
verbannen uit de republiek en zijn bezittingen in Nijmegen en Grave worden in
beslag genomen. Van Harn overlijd ergens in het jaar 1710.
Uit bovenstaande gegevens blijkt dat de muntplaatsen die een dubieus muntrecht
uitoefenden vaak ook geen frisse muntmeesters hadden. In veel stedelijke en
regelrechte hagemunten komen we dikwijls dezelfde familie- en geslachtsnamen
tegen. Zo is bijvoorbeeld Johan van Harn muntmeester te Deventer van 1662-1664
en van 1664-1675 te Kampen. Deze Johan was een oom van Gerrit van Harn. Gerrit
heeft waarschijnlijk wel wat foefjes geleerd in het munthuis van zijn oom. Hij
kon via hem ook diverse contacten leggen in de munterswereld.
Het wapen van Nijmegen
Op de gouden, zilveren en koperen munten van Nijmegen komt als wapen een
tweekoppige adelaar voor (2) met op zijn borst een klimmend leeuwtje
(Gelderland). Dit wapen is afgeleid van de Duitse rijksadelaar (1) welke een
rijksappel op de borst draagt. Het wapen van Nijmegen is afgeleid van de Duitse
rijksadelaar omdat het muntrecht ontleend werd aan een privilege van de Duitse
keizer.
|
|
|
| 1 | 2 | 3 |
Op de koperen munten vormt het wapenschild het hek van een
tuin waarin een zittende vrouw is geplaatst (3). Net als Arnhem heeft ook
Nijmegen voor deze Hollandse voorstelling gekozen. Er werd nu echter ook weer
een eigen spreuk gebruikt: BEATA GENS CUIUS DOMINUS EIUS. Dit betekent: het is
een gelukkig volk wiens hoop de Heer is. Op de zilveren munten van Nijmegen werd
veelal de naam van de op dat moment regerende Duitse keizer vermeld.
De muntslag tot het afkopen van het muntrecht in 1594
Naast de muntslag voor Gelderland (1577-1584) werden er te Nijmegen
munten geslagen op naam van de stad zelf. Gedurende de periode 1577-1583 zijn er
op naam van de stad arenddaalders, halve arendsdaalders en stuivers geslagen op
de muntvoet van het Duitse rijk (volgens de Reichsmünzordnung van 1566). Passon
vermeldt verder dat de muntmeester op 2 februari 1584 opdracht kreeg om
"vierlingen"
(kwart stuivers) te smelten en hieruit peerdekens te vervaardigen. Nijmeegse
Peerdekens uit deze periode neemt hij echter niet op in zijn catalogus gedeelte.
Ook bestaan er geen Gelderse peerdekens uit die periode.
Toen de Spanjaarden steeds dichter de stad Nijmegen naderden
besloten de Staten van Gelderland het munthuis te sluiten en deze te verplaatsen
naar Harderwijk. Het duurde echter nog tot 1586 voordat Nijmegen door de
Spanjaarden werd ingenomen. Tijdens deze Spaanse bezetting van de stad zijn er
munten geslagen op naam van koning Philips II als hertog van Gelderland
(1586-1591). Zie voor deze muntslag bij Gelderland.
Na de herovering van de stad door Staatse troepen in 1591
werd de Spaanse munt gesloten. Ook de stad heeft na de bevrijding geen munten
meer geslagen. Juist in de periode na de bevrijding probeerden de
Staten-Generaal de muntomloop gezond te maken en te houden. Dit betekende zo min
mogelijk munthuizen en een strak uitgifte beleid van alleen in het plakkaat
voorkomende munten. In 1589 had men daarom opnieuw het muntplakkaat van
Leicester (uit 1586) afgekondigd. Deze maatregel had echter niet het gewenste
effect maar in 1594 was de militaire situatie in het land echter zover verbeterd
dat de Staten-Generaal meer macht konden uitoefenen. In dat jaar begonnen de
Staten-Generaal onderhandelingen met de diverse rijkssteden om een sluiting van
het munthuis tot stand te brengen. Burgemeester Henrijck de Beyer werd namens de
stad naar den Haag gezonden om een zo hoog mogelijk bedrag te bedingen op het
stilstaan van de munt.
Na de sluiting van de munt heeft Nijmegen wederom een
afkoopsom ontvangen van de Staten-Generaal. Deze afkoopsom werd op 20 maart 1606
overeen gekomen en het ging ditmaal om een bedrag van 2000 gulden per jaar. De
stad had ook kunnen besluiten om te gaan munten volgens de muntvoet van de
Staten-Generaal. Zij had dan evengoed een uitkering ontvangen van 400 gulden per
jaar vanwege de kosten van muntbus opening en probatie. Muntmeester Reijnier
Hanssen is in datzelfde jaar reeds overleden (31 december 1606). Hij werd
begraven in de grote of St. Stevenskerk. Na een restauratie is zijn grafzerk
helaas verdwenen.
De muntperiode 1618-1620 onder Jacques de Mey
De ex-muntmeester van Batenburg, Jacques de Mey, wist de
stadsmunt in 1618 weer geopend te krijgen met Joost Vlemminck als zijn adjunct.
De Mey was mogelijk gehuwd met Anna Wijntgens, een dochter van muntmeester
Hendrik Wijntgens.
Als muntmeesterteken lijkt Jacques de Mey af en toe een ster of rozetachtig figuurtje te hebben gebruikt. Op de dubbele stuivers van Nijmegen komt deze voor maar ook op schellingen van Batenburg alwaar hij van 1616-1618 muntmeester was.
Om ondanks de hoge kosten nog enige winst te kunnen maken gebruikte de Mey dagloners als gezellen op de munt. Het voordeel hiervan was dat hij ze per dag inhuurde en alleen betaalde als er werk was. Ook begon de Mey met het gehalte en gewicht van de munten te knoeien. Het duurde dan ook niet lang of er kwamen klachten over de Nijmeegse munten. Begin 1620 werden Jacques de Mey en de waardijn Peter van Duren dan ook gearresteerd maar zij komen weer vrij. In de maanden mei, juni en juli van dat jaar werd er nog gemunt door o.a. waardijn Peter van Duren i.v.m. afwezigheid van de muntmeester. Op 1 augustus 1620 werden Jacques de Mey en Peter van Duren wederom opgepakt. Zij werden beschuldigd van het maken van slechte dubbele stuivers en het in eigen zak steken van de opbrengsten uit de munt. Na een onderzoek van de dubbele stuivers door de Generaal waardijn van de Duitse kreis, Philip van Aldendorff, kwam waardijn Peter van Duren weer vrij. Jacques de Mey ontvluchtte echter het gevang en ontsnapte naar Duitsland. Na deze moeilijkheden besloot de stad het munthuis maar gesloten te houden. Op 20 juli 1621 vertrok burgemeester Rensen om te gaan onderhandelen over een nieuwe afkoopsom. Hij kwam toen met de Staten-Generaal wederom een bedrag overeen van 2000 gulden per jaar.Mijn gevoel zegt dat alle duiten geslagen zijn in de periode 1602-1605. In deze periode werden er overal volop duiten aangemunt: Deventer (1602), Overijssel (1605-1606), Friesland (1604-1605), Zeeland (1601-1604), West-Friesland (1604-1605), Holland (1604-1605) en Zutphen (1604-1605). In de periode van Jacques de Mey (1618-1620) werden er slechts mondjesmaat duiten aangemunt: Deventer (1618), Overijssel (1619?), Utrecht (1619), Elburg (halve duiten 1619-1621), Batenburg (1616-1622?) en Anholt (1616-1622?). Deze jaren en typen zijn allen schaars, zeldzaam of zeer zeldzaam. Alleen de duiten van Batenburg komen uit deze periode redelijk veel voor. Jacques de Mey heeft ook maar zeer kort gemunt (ca. 2 jaar met onderbrekingen) en was uit op vette winst. Deze winst was eerder te behalen met het slaan van gouden en zilveren munten dan met koperen kleingeld wat ook nog erg arbeidsintensief was.
|
Reijnier Hanssen, mmt: knol, komt niet voor op de duiten.
ZJ R2
ZJ HNM
Voorschrift: de duiten werden geslagen volgens stedelijke voorschriften. De stad beriep zich op muntrecht verkregen van de Duitse keizer(s).
NIJ.12: (koper) duit.(V.24.6
- Passon 73 - PW 1702)
VOORZIJDE: Een tulpkrans met daarin de tekst NOV IMA
GVM in drie regels. Dit betekent: Nijmegen.
KEERZIJDE: Zittende maagd in een
anders vorm gegeven tuin welke aan de zijkanten niet boven het wapenschild uit
komt. De maagd heeft een opgestoken
rechterarm als teken van het vertrouwen op de Heer. Met de andere hand houd zij
het wapen vast. Dit is een
groot stadswapen van Nijmegen
(tweekoppige adelaar met in het borstschild een leeuwtje).
TEKST: BEATA. GNS. CVI@. DNS. SPS. EI@ (of variant).
Dit is voluit: beata gens cuius Dominus eius, en betekent: het is een gelukkig
volk wiens hoop de Heer is.
De tekst wordt
niet onderbroken door het
wapenschild of de tuin.
![]() |
Reijnier Hanssen, mmt: knol, komt niet voor op de duiten.
ZJ R2
Voorkomende voor- en keerzijde varianten:
VZ: A: NOV / IMA / GVM
1: Krans met sterren boven en onder en opzij punten.
2: Krans met sterren opzij en punten boven en onder.
KZ: a: BEATA. GNS. CVI@. DNS. SPS. EI@.
b: BEA. GNS. CVIVS. DNS.
SPS. EIV
c: BEA. GNS. CVI. DNS.
SPS. EI
d: BEATA(.) GNS(.) CV ( ) DNS. SPS. EI@( )
Info:
Variant A1a (ZJ), particuliere collectie.
Variant A1d (ZJ), particuliere collectie.
ZJ DNB
De vreemde tekentjes in het opschrift van keerzijde variant
a: lijken veel op de cijfers 6 en 9. Zij staan precies bij de I van CVIVS en de
I van EIVS afgebeeld zodat deze de I in het jaartal kunnen vormen. De twee
mogelijkheden zijn dan 1616 of 1619. Mocht dit inderdaad een soort datering zijn
dan spreekt dit wel mijn theorie tegen dat alle duiten in de periode 1602-1605
zijn geslagen.
NIJ.13: (koper) duit.(V.24.7
- Passon 74 - PW 1703/1705)
VOORZIJDE: Een tulpkrans met daarin de tekst NOV IMA
GVM in drie regels. Dit betekent: Nijmegen.
KEERZIJDE: Zittende maagd in een tuin gevormd van een soort planten en
struiken met rechts een uitstekende tak omhoog. De maagd heeft een opgestoken
rechterarm als teken van het vertrouwen op de Heer. Met de andere hand houd zij
het wapenschild vast. Dit is een vrij groot stadswapen van Nijmegen
(tweekoppige adelaar met in het borstschild een leeuwtje).
TEKST: BEA. GNS. CV. DNS. SPS. E. (of variant). Dit
is voluit: beata gens cuius Dominus eius, en betekent: het is een gelukkig volk
wiens hoop de Heer is. De tekst wordt onderbroken door het wapen.
![]() |
Reijnier Hanssen, mmt: knol, komt niet voor op de duiten.
ZJ R2
Voorkomende voor- en keerzijde
varianten:
VZ: A: . / NO / VIMA / GVM / .
B: NO / VIMA / GVM
C: . / NOV / IMA / GVM / .
D: NO / VIMA / GVM / .
E: NOV / IMA / GVM / +
1:
Krans met sterren boven
en onder en opzij punten.
2: Krans met sterren opzij en
punten boven en onder.
KZ: a: BEA. GNS. CV - DNS. SPS. E - .I.
b: BEA. GNS. CV - DNS. SPS. E.
c: BEA. GNS. C. - DNS. SPS. E. - .I.
d: BEA. GNS. CV. DNS. SPS. EI
e: BEA. GNS. CV - DNS. SPS. E
f: BEA. GNS. CV - DNS. SPS. - E.
g: BEA. GNS. CV - .DNS. SPS. - E.
h: .BEA. GNS. CV. - .DNS. SPS. E. - .
i: .BEA. GNS. CV - .DNS. SPS. - E.
j: .BEA. GNS. CV - .DNS. SPS. - E
k: BEA. GNS. CV - .DNS. SPS. - E
l: .BEA. GNS. C - .DNS. SPS. - E
m: BEA. GNS. C. - .D. SPS. - E.
n: .BEA. GNS. C. - .DNS. SPS. - E.
o: .BEA. GNS. CV. D - ( )
p: ( )BEA. GNS. C - V. DNS. SPS(. - E)I
Info:
Variant A2h (ZJ), particuliere collectie.
Variant Bg (ZJ), afbeelding jaaroverzicht 1988 blz.53.
Variant C2n (ZJ), particuliere collectie.
Variant C2(g) (ZJ), afbeelding PW 1703.
Variant C2o (ZJ), particuliere collectie.
Variant D2(g) (ZJ), afbeelding PW 1705.
Variant E1p (ZJ), particuliere collectie.
ZJ HNM DNB
Voorschrift: de duiten werden geslagen volgens stedelijke voorschriften. De stad beriep zich op muntrecht verkregen van de Duitse keizer(s).
Van dit type zijn overslagen bekend op koperen munten uit de zuidelijke Nederlanden geslagen op naam van Albertus en Elisabeth. Deze zijn steeds zwaarder van gewicht. Passon noemt overslagen op liards, de enige die ik ken is dit exemplaar van 2,65 gram. De duit is met zekerheid een overslag over een munt op naam van de aartshertogen Albertus en Elisabeth (regering 1598-1621). Er kunnen volgens mij slechts 2 munttypen in aanmerking komen waar hij overheen is geslagen: een dubbele denier van Antwerpen (ANT.12) of een duit van Maastricht (MAA.16). Het gewicht van de duit Nijmegen is 2,65 gram, de dubbele deniers wogen ca. 2,56 gram per stuk en zijn geslagen in 1606 en 1607. De duiten zonder jaartal van Maastricht moeten volgens de rekeningen geslagen zijn tussen 1601 en 1616. Over de jaren 1601-1606 zijn deze geslagen met een gewicht van ca. 2,41 gram, daarna werd hun gewicht verlaagd naar 1,92 gram. Aangezien de duit Nijmegen 2,65 gram weegt moet de duit waar hij overheen is geslagen dus uit de periode 1601-1605 stammen. Hij is met zijn gewicht van 2,65 wat aan de zware kant maar dat kan normaal zijn, dit kwam wel vaker voor. Voor een overslag over een oord is hij juist weer te licht. De oorden wogen namelijk tot 1606 ca. 4,82 gram en sinds 1606 ca. 3,84 gram. Mijn voorkeur gaat uit naar een overslag op een duit van Maastricht zonder jaartal en wel om de volgende redenen: De nog leesbare tekst op de zijde met de zittende vrouw is een stukje van de naam van Albertus namelijk ALBER en het einde van de tekst namelijk DEI . G. Tussen de laatste letter in het omschrift, hier de G, en de A van Albertus zou het muntteken moeten zitten. Helaas is dit niet goed meer te zien, als het Maastricht is dan zou er een ster zichtbaar moeten zijn, bij Antwerpen een handje. Op de zijde met de tekst NOVIMAGVM is nog te zien: DVCS . BVR en dan nog iets (mogelijk een verwijzing naar Brabant). De afkortingen DEI op de voorzijde en DVCS op de keerzijde komen beide, voor zover ik weet, alleen bij Maastricht voor. Ook lijkt wel een klein stukje versiering zichtbaar van het kruis.
NIJ.14: (koper) duit.(Passon
74d - PW 1704)
VOORZIJDE: Een tulpkrans met daarin de tekst NOV IMA
GVM (of variant) in drie regels. Dit betekent: Nijmegen.
KEERZIJDE: Zittende maagd in een tuin die lijkt op die van het type
NIJ.12 maar minder breed, iets hoger achter de zittende maagd loopt een gladde
strook als achterzijde van de tuin. De maagd heeft een opgestoken rechterarm als
teken van het vertrouwen op de Heer. Met de andere hand houd zij het wapen vast. Dit
wapen is het stadswapen van Nijmegen (tweekoppige
adelaar met in het borstschild een leeuwtje).
TEKST: .BEA. GNS. C. .DNS. SPS. E. (of variant). Dit
is voluit: beata gens cuius Dominus spes eius, en betekent: het is een gelukkig
volk wiens hoop de Heer is. De tekst wordt niet onderbroken door het wapen.
![]() |
Reijnier Hanssen, mmt:
knol, komt niet voor op de duiten.
ZJ R2
Voorkomende voor- en keerzijde varianten:
VZ: A: NOV / IMA / GVM
KZ: a: BEA. GNS. CV. DNS. SPS. EI
Info:
Variant Aa (ZJ), particuliere collectie.
ZJ VCLS 23 nr.186
Voorschrift: de duiten werden geslagen volgens stedelijke voorschriften. De stad beriep zich op muntrecht verkregen van de Duitse keizer(s).
Noten:
1:
Zie ook T. Passon e.a. De stedelijke munt van Nijmegen
Uitgave Nijmeegs museum commanderie van Sint Jan 1980.
2: Dr.
F.B.M. Tangelder Muntheer en muntmeester, een studie over het Berghse
muntprivilege in de
tweede helft der zestiende eeuw
Uitgave S. Gouda Quint - D. Brouwer en zoon, Arnhem 1955.
3: Zie ook T. Passon
e.a. De stedelijke munt van Nijmegen
Uitgave Nijmeegs museum 'commanderie van
Sint Jan 1980.
4: Merkwaardig deze aanstelling
want er wordt van "vernieuwing" gesproken.