De muntslag van Friesland1
Friesland was in de vroege middeleeuwen een groot gebied dat zich uitstrekte van grote delen van het tegenwoordige Noord-Holland tot in Noord-Duitsland. In dit Friese gebied zijn rijkelijk munten geslagen. De harde kern van de muntslag heeft in het gebied gelegen wat nu tegenwoordig de provincie Friesland is. De vroegste munten die hier geslagen zijn waren imitaties van te Dorestad geslagen Merovingische munten. Zeer bekend zijn ook de Friese sceatta's en de imitaties van de Karolingische zilveren penningen van het CRISTIANA RELIGIO type.
In de 11e eeuw kwam er een zeer omvangrijke muntslag op gang van zilveren penningen op naam van de Friese graven uit het geslacht Brunswijk, de zogenaamde Brunonen. Deze munten moeten in gigantische hoeveelheden zijn geslagen. In eigen land komen ze niet zo gek veel voor omdat ze via het handelsverkeer massaal richting Oostzee gebied zijn gegaan. Eind 11e eeuw stortte deze muntslag in elkaar en werden er in de periode daarna, tot circa eind 12e eeuw, zilveren penningen geslagen op gezag van de Utrechtse bisschoppen. Het betreft hier veelal de zogenaamde anonieme lichte Friese penningen van circa 0,2 gram met een afbeelding van een bisschop of heilige, echter zonder leesbare omschriften.
Na het einde van de 12e eeuw zien we heel lang geen muntslag meer in Friesland, echter halverwege de 15e eeuw bloeide er plots een periode van stedelijke muntslag op. De steden Leeuwarden, Bolsward, Sneek, Workum, Franeker en Dokkum2 hebben toen op eigen gezag munten geslagen. De enige stad die hiertoe officieel het recht had was Leeuwarden middels een oorkonde van keizer Sigismund uit 1417. Deze periode van stedelijke muntslag is echter van korte duur en geringe omvang geweest. Na 1493 heeft alleen Leeuwarden tussen 1580 en 1600 wat kleingeld geslagen op naam van de stad. Deze muntjes waren veelal van slecht zilver. In 1498 gaf Maximiliaan van Oostenrijk de Friese gebieden in leen aan Albrecht van Saksen die na zijn dood in 1500 werd opgevolgd door zijn zoon George van Saksen. Een machtsstrijd met Karel van Gelre over het beheer van Friesland koste George van Saksen zoveel geld dat hij in 1515 genoodzaakt was om zijn rechten op Friesland te verkopen aan Karel V voor 100.000 goudguldens. Het duurde nog tot 1522 voordat Karel van Gelre zijn aanspraken op Friesland liet vallen en nog tot 1524 voordat Friesland geheel was opgenomen in het Bourgondische rijk van Karel V. Van 1527 tot 1530 is er een Bourgondisch munthuis te Leeuwarden geweest welke was gevestigd op de hoek Eewal en Slotemakerstraat. Muntmeester was Frank van Papevelt en stempelsnijder Jacob Ysbrandsz. De munten die hier zijn geslagen zijn heel lang voor Luxemburgse exemplaren aangezien vanwege het muntteken leeuwtje. De muntslag uit de periode van 1498 tot ca.1530 op naam van de verschillende machthebbers wordt wel de landsheerlijke muntslag genoemd.
De provinciale munt die in 1580 te Leeuwarden werd opgericht is nooit echt een groot succes geweest. Dit komt mede omdat de munt ateliers onderling een concurrentie strijd hadden met betrekking tot de aanvoer van edelmetaal. Het centrum van de handel had zich eind 16e eeuw verplaatst naar de vlak aan zee liggende provincies Holland, West-Friesland en Zeeland zodat de munthuizen aldaar als groot voordeel hadden dat ze gelegen waren in dit nieuwe centrum van de handel. De aanvoer van (edel)metalen en de prijs daarvan lagen veel gunstiger ten opzichte van de meer in het binnenland gelegen provincies.
De munten uit de beginperiode zijn naar Saksisch voorbeeld geslagen met o.a. het borstbeeld van een Saksische edelman. Dit word nogal eens verbasterd tot Friese boer. Dit portret staat ook op de in vele variaties geslagen oorden. Het devies op deze munten was: NISI DOMINUS NOBISCUM, tenzij de heer met ons is. Later volgde Friesland meer de muntpolitiek van de andere provincies door leeuwendaalders, dukatons, drieguldens enz. te gaan slaan. In de achttiende eeuw raakte de Friese munt echter snel in verval, de laatste koperen duiten van het nieuwe type werden geslagen in 1724. De laatste zilveren munten werden geslagen in 1738, pas in 1752 werd de Friese munt officieel gesloten.
Officieren op de Friese munt (zover bekend)
| MUNTMEESTERS: |
VAN - TOT: |
| Frank van
Papevelt Lodewijk Alewijn(se) Willem van Viersen Jurriaen (ook Gregorius genaamd) van Vierssen Gillis van Vierssen Willem van Vierssen Coenraad Reard Daniël Valckenier Johannes Henricus Valckenier Onesius Fredericus van Glinstra (niet gemunt) Daniël Valckenier (waarnemend) Herbert Marinus Dr. Albertus Ketel Henricus Dortsman |
1527 -
1530 |
De eerste provinciale muntmeester, Lodewijk Alewijn(se), huurde
"de olde cancellerie" aan de Tweebaksmarkt als vestiging voor het Friese munthuis. Hij was
een broer van de Gelderse muntmeester Jacob Dirkszn. Alewijn(se). In 1586 werd hij
opgevolgd door zijn stiefzoon Willem van Viersen, geboren in 1564 als zoon van
Matthijs van Viersen (uit Vianen) en Maria Johannisdr. van Bemmel. Willem werd
de stiefzoon van Lodewijk Alewijn(se) omdat na de dood van zijn vader zijn
moeder hertrouwde met deze Lodewijk Alewijn(se). Willem zelf was gehuwd met Titia Godefredi
bij wie hij 10 kinderen had. Op 9 september van dat
jaar legde hij de eed af in handen van de generaalmeesters der munt Jacob van Nispen,
Rochus Grijp en Jeronimus Bruynseels. Naast muntmeester is hij ook rentmeester
geweest, hij stierf op 20 oktober 1641. In 1616 volgde zijn 2e zoon Jurriaen hem op
als muntmeester. Jurriaen huwde op donderdag 9 april 1626 te Leeuwarden met Anna
Boner waarbij hij 5 kinderen had, allen dochters. Buiten muntmeester was
Jurriaen net als zijn vader ook rentmeester geweest, hij is overleden op woensdag 4 augustus 165515. Na hem zien we nog 2 muntmeesters met de naam van Vierssen.
De jongere telgen uit het geslacht van Viersen begonnen hun naam met dubbel s te
schrijven als van Vierssen. De oorspronkelijke geslachtsnaam was echter van
Viersen met één enkele s17.
Van 1652-1657 was Coenraad Raerd muntmeester maar deze vertrok in 1657 naar Groningen waarna de munt tot 1659 stil stond. Daniël Valckenier werd in 1659 muntmeester, tijdens zijn muntmeesterschap werd in ca. 1680 begonnen met het "schroeven" van de munten. Hij werd in 1688 opgevolgd door zijn 16 jarige zoon Johannes Henricus Valckenier. Omdat het munthuis vanwege het "schroeven" van de munten te klein was geworden werd in 1693 het "Holdingahuis" aan de Grote Kerkstraat gehuurd als nieuwe vestiging. In 1699 overleed de muntmeester op jonge leeftijd en bleef het muntmeestersambt tot 1701 onbezet. Onesius Fredericus van Glinstra werd op 29 maart 1701 tot muntmeester benoemd maar heeft nooit iets gemunt.
Op 13 januari 1702 werd de al bejaarde Daniël Valckenier weer als muntmeester aangesteld om waar te nemen voor van Glinstra. Hij liet in de tuin van het "Holdingahuis" voor 8.000 gulden een groot nieuw munthuis bouwen in de veronderstelling dat de Staten van Friesland dit hem wel zouden terugbetalen. Zij wilden hem echter niet eens de helft van het bedrag vergoeden. Hierdoor voelde de oude Daniël Valckenier zich dusdanig benadeelt dat zijn overlijden in 1704 wel mede wordt toegeschreven aan deze in zijn ogen schandalige behandeling.
In 1704 werd Herbert Marinus muntmeester van Friesland
dankzij een verzoek hiertoe van zijn vader Egbert Marinus, de voormalige
stadsmuntmeester van Groningen. In 1705 kreeg hij een oproep om naar den Haag te
komen om daar de eed af te leggen bij de raden en generaalmeesters van de munt.
Dit werd hem echter door de Staten van Friesland verboden die genoegen namen met
de eed die hij aan hen had gezworen. Later zal hij in 1707 wel gehoor geven aan
een 2e oproep om naar Kampen te komen waarvoor hij later verantwoording moest
afleggen aan de Staten van Friesland. Deze namen genoegen met zijn uitleg over
wat hij daar verteld heeft en de zaak was afgedaan. Herbert
is tot 1719 muntmeester gebleven en gebruikte als enige Friese muntmeester een muntmeesterteken
en wel alleen op een gulden uit 1714. Dit teken was een zeemeerman3
afkomstig uit het wapen van zijn familie. Zijn opvolger Albertus Ketel deed in
1721 al weer afstand omdat hij benoemd werd tot kamerbode van de gedeputeerde
staten van Friesland. De laatste muntmeester, Henricus Dortsman, heeft alleen
maar in 1738 gemunt.
| STEMPELSNIJDERS: |
VAN - TOT: |
| Caspar Meynarts Thomas Laurens Hillebrand Brongersma Wibrandus Lollii Paulus Barhuis Mathijs Siderius Johan Mancadam Cornelis Jongsma Johannes Jongsma |
1611 1639 - 1657 1657 - 1668 1668 - 1671 1671 - 1674 1674 - 1676 1676 - 1696 1696 - 1723 1723 - 1752 |
Stempelsnijder Mathijs Siderius
werd geboren op 14 maart 1644 te Leeuwarden als zoon van Mente Mathys Iserman
welke eigenaar was van een ijzerwinkel op de korenmarkt, vandaar zijn naam
Iserman (ijzerman). Hij noemde zich na verloop van tijd Siderius. De winkel had
als uithangbord een man met harnas en helm. Mathijs Siderius wordt genoemd als
goudsmid, essayeur en stempelsnijder. Hij was getrouwd met Maycke Annius
Wiegersma en overleed op 2 december 167512. Johannes Mancadam,
ook bekend als Manckendam, volgde als "stempel-snijder Gouvernal deser
Provincie" zijn meester Mathijs Siderius op, die overigens familie was via zijn
grootmoeder Elske Mathijs Siderius. Hij was gedoopt op donderdag 13 april 1656
te Franeker in de Oldehoofsterkerk [bron: DTB Franeker Hervormde gemeente
Inv.nr.256]. Hij trouwde, 26 jaar oud, op donderdag 19 november 1682 in
Leeuwarden [bron: Trouwregister Hervormde gemeente Leeuwarden, 1682 nr.981] met
de 20-jarige Elske de Neeff. Het gezin woonde in de Doelestraat 8 in het later
bekend geworden "Coulonhuis" te Leeuwarden. Johannes verkocht dit geërfde pand
in 1713 voor 1225 gulden aan Anthonius Coulon. Zij kregen drie kinderen, waarvan
slechts één dochter volwassen werd. Hij overleed op 79 jarige leeftijd en is op
maandag 10 oktober 1735 te Leeuwarden begraven13.
| WAARDIJNS: |
VAN - TOT: |
|
Dirk Jansz. .... Schellinga |
1672 - 1703? |
Jan
Melchior Oostervelt (± 1583-1667), waardijn van 's
lands munt (Friesland), zilversmid, schepen van
Leeuwarden14.
| ESSAYEURS: |
VAN - TOT: |
| Augustinus Bruinsvelt4 | 1665? |
Wapens
Doordat er in Friesland door diverse steden en machthebbers is gemunt komen er verschillende wapens voor op munten uit het gebied Friesland. Op de munten van de laat 15e eeuwse stedelijke muntslag komen we voornamelijk de Duitse tweekoppige rijksadelaar (2) tegen en ook is de leeuw een geliefd onderwerp om af te beelden. Onder de Saksische vorsten verschijnt het wapen van Saksen (1) gecombineerd met andere wapens op de munten, en onder Karel V wordt een uitgebreid Bourgondisch wapen gebruikt. Het Friese wapen met de twee gaande leeuwen (4) zoals dat op de koperen munten uit de provincietijd voorkomt dateert van ca. 1499/1500 en is ontstaan onder Albrecht van Saksen.
![]() |
Tijdens de provinciale muntslag komen op de zilveren munten echter ook nog steeds veel andere wapens voor. De rijksadelaar blijft een geliefde afbeelding en er komt ook een wapen voor met hierin alle wapens van de 11 Friese steden (3). Op de koperen munten komt echter alleen het wapen voor met de 2 boven elkaar gaande leeuwen op een achtergrond met blokjes. Het wapen van West-Friesland is hier later van afgeleid, echter de leeuwen in dat wapen kijken de toeschouwer aan terwijl de Friese leeuwen recht vooruit kijken.
Munttekens
Het muntteken "leeuwtje" is gebruikt te Leeuwarden
en het muntteken "rechthoek" te Reiderschans (vlakbij Delfzijl) waar
in de periode 1591-1594 rijksdaalders, leeuwendaalders en Hongaarse dukaten
aangemunt zijn voor een aldaar gelegen Fries garnizoen. Mogelijk zijn hier ook
duiten aangemunt omdat er ongedateerde duiten bestaan die in plaats van een
leeuwtje een rechthoek in de tekst hebben.
De vele varianten van oorden en duiten die hier vermeld staan
zijn mede te danken aan het onderzoek van A. van der Wiel die zijn bevindingen heeft
gepubliceerd in het Jaarboek van de vereniging voor Munt en Penningkunde van
1941 (JMP 28) en een naschrift in die van 1946/47 (JMP 33/34).
FRI.1: (biljoen) Fries scheisken / schüsselpfennig.(JMP.1)
HOLLE VOORZIJDE: Ingebogen wapen van Friesland binnen een rand van bolletjes. Boven het wapen de letters F.S van Fries scheisken = Friese duit.
BOLLE KEERZIJDE: Glad, zonder tekst of afbeelding.
![]() |
Willem van Vierssen
ZJ R4 (ca.
1591-1595)
Info:5
ZJ JMP 1980 blz. 229-230.
Wettelijk voorschrift: (mij) niet bekend.
Vroeg in de 16e eeuw worden gelijksoortige muntjes vermeld in
ordonnanties uit ca. 1504 en 1505 van George van Saksen (gubernator van
Friesland 1502-1515). Hier worden zij scheysken of scheisken genoemd. Deze
muntjes hadden een waarde van een penning of plak = 1/6 Groningse stuiver. De oud
Friese naam voor deze muntjes was skeiskin welke naam vermoedelijk een relatie
heeft met het Angelsaksische sceatta6.
Eind 16e eeuw rouleerden er in Duitsland op grote schaal vergelijkbare muntjes.
De zogenaamde "schüsselpfennige", in het Nederlands
"schotelpenninkjes". Dit zijn éénzijdig geslagen zilveren muntjes
waarvan de beeldenaarzijde hol is en de bolle keerzijde is glad (niet te
verwarren met de zogenaamde bracteaten of holpenningen). De waarde van het muntje was 1 pfennig en werd in
de Nederlandse munthuizen silveren doyt (1/8
stuiver) genoemd (o.a. Deventer). Vooral de oost-Nederlandse munthuizen hebben
deze muntjes nagebootst en ze uitgevoerd naar Duitsland (zelden komen ze in
Nederland voor). De periode waarin dit geschiedde wordt gesteld op 1590-1606. Dit
muntje moet met voorzichtigheid aan Friesland worden toegeschreven en is mogelijk
afkomstig uit de periode 1591-1595. Op de Oberrheinischen probationstag van 1593
werd o.a. geklaagd over slechte pfenningen met twee of drie leeuwen in een wapen
met daarboven de letters FS (Schneider 2003). Zij hadden een gehalte van
188/1000 en waren volgens de Kurrheinische Kreis afkomstig uit Oostfriesland.
Oostfriesland begon pas in de 17e eeuw dergelijke pfennigen aan te munten
waardoor ook wordt verondersteld dat zij afkomstig zijn uit het hertogdom
Schleswig. De letters FS zijn dan te verklaren als Flensburg en Schleswig. De
Obersachsische Kreis vermoede een herkomst uit Saalfeld en verbood ze in 1595. Zij worden
vermeld in 1595 te Thüringen waar werd geklaagd over "böse
löwenpfennige" met de letters FS.
FRI.2: (biljoen) Fries oord.(JMP.-)
HOLLE VOORZIJDE: Wapen van Friesland met ronde lobben binnen een rand van bolletjes. Boven het wapen de letters F.ORT van Fries ort = Friese oord.
BOLLE KEERZIJDE: Glad, zonder tekst of afbeelding.
![]() |
Willem van Vierssen.
ZJ R4 (ca.
1591-1595)
Info:7
ZJ Beeldenaar 1988 blz. 253.
Wettelijk voorschrift: (mij) niet bekend.
Dit muntje is mogelijk ook geslagen om alleen in Duitsland te
rouleren hoewel er enkele exemplaren in Friesland zijn gevonden. Ook dit type is
éénzijdig geslagen met een holle beeldenaarzijde en een gladde bolle
keerzijde. Het muntje weegt ca. 0,47 gram en heeft een diameter van 15 mm. Net als het
vorige type is ook dit muntje waarschijnlijk ontstaan in de periode 1591-1595.
Het wapenschild lijkt sterk op het wapenschild dat voorkomt op de ongedateerde
Friese koperen duiten waarvan wordt aangenomen dat ze ca. 1591 zijn geslagen.
Interessant is ook de afkorting F.ORT, een Fries oord wordt dus aangegeven als
ORT. De afkorting F O (of soms F OR) op de latere koperen oortjes wordt nu wel
omschreven als Frisia Ordines (Friese staat), mede omdat er oortjes bestaan met
F OR. Dit muntje versterkt echter het vermoeden dat F O (of F OR) wel degelijk
ook Fries Ort of oord kan betekenen.
FRI.3: oord.(AvdW
1-4 - PW 6010-6012)
VOORZIJDE: Friese edelman (naar Saksisch voorbeeld) naar rechts met zwaard over de schouder. Links van het borstbeeld staat de letter F en rechts de letter O. Deze afkorting wordt uitgelegd als Frisia Ordines (Friese staat) maar ook als Friese oord.
TEKST:
NISI. DOMINVS. NOBISCVM. (of variant). Dit betekent: tenzij de Heer met ons is.
KEERZIJDE: Fries wapenschild met een parelkroon en een ronde onderzijde. In het wapen twee gaande leeuwen boven elkaar die recht voor zich uit kijken. Onder en naast het wapen zitten krulversieringen.
TEKST: MONE x NOVA x ORDINVM x FRI (jaartal) (of variant). De tekst is voluit: moneta nova ordinum Frisiae, en betekent: nieuwe munt van de staat Friesland.
![]() |
Willem van Vierssen, muntteken
(leeuwtje).
ZJ R2
1608 S
1609 R2
1610 X
Bekende afslagen etc.
1608 R4 (goud)
1610 R3 (zilver)
1610 R4 (zilver
vierkant muntplaatje)
Voorkomende voor- en keerzijde varianten:
VZ: A: + NISI + DOMINVS + NOBISCVM
B:
NISI x DOMINVS x NOBISC - VM
C:
NISI x DOMINVS x NOBISCVM x
D:
NISI x DOMINVS x NOBISCVM xx
E:
x NISI x DOMINVS x NOBISCVM x
F: +
+ NISI
+ DOMINVS
+ NOBISCM
G:
‚
.NISI. DOMINVS. NOBISCVM
H:
NISI. DOMINVS. NOBISCVM.‚
I:
NISI. DOMINVS. NOBISCVM.
1: Met F O naast de boer.
2: Zonder F O naast de boer.
3: Met F OR naast de boer.
(Zonder
jaar)
KZ: a:
MONE x NOVA x ORDINVM x FRISIÆ
b:
MONE. NOVA. ORDINVM. FRISIAE
g:
MONE x NOVA x ORDINVM x FRISIÆ x (jaartal)
x
h:
MONE x NOVA x ORDINVM x FRISIÆ x
(jaartal)
i:
MONE x NOVA x ORDINVM x FRISI x
(jaartal)
j:
MONE x NOVA x ORDINVM x FRI x
(jaartal)
k:
MONE. NOVA ORDINVM. FRISIA
(jaartal)
l: MONE x NOVA x ORDINVM x FRI x (jaartal)
x
m: MONE x NOVA x ORDINVM x FRI x (jaartal)
n: x MONE x NOVA x ORDINVM x FRI x (jaartal)
Info:
Variant A1h (1608), afbeelding museumgids8
blz.107.
Variant A1c (1608), particuliere collectie.
Variant ?1i (1608),
particuliere collectie.
Variant B1j (1608), afbeelding VCLS 24 nr.634.
Variant C2(g) (1608), afbeelding Henzen lijst 174 nr.1041.
Variant C2(h) (1608), particuliere collectie.
Variant C1m (1609), afbeelding VCLS 23 nr.780.
Variant F1m (1609), afbeelding Henzen lijst 201 nr.1038.
ZJ FML
1608 FML(40) AHM
1609 FML AHM
1610 PW 6012(o.a. vermeld
bij Neuman 12318)
1608 (goud) FML
1610 (zilver) Jaaroverzicht 1988
1610 (zilver op vierkant muntplaatje)
FML
Wettelijk voorschrift: (mij) niet bekend. Het schijnt dat de
Friese oorden van het gewicht zijn dat ook in Zeeland werd gehanteerd voor de
oorden. Uit een mark kwamen dan ca. 58 stuks wat een gewicht oplevert van 4,24
gram per stuk. In de praktijk viel dit gewicht echter altijd lager uit.
In lijst 174 van munthandel G. Henzen komt onder nummer 1041 een Fries oord voor
beschreven als vermoedelijk jaartal 1606 en zonder de letters F O met de
opmerking dat deze onbeschreven zou zijn. Mij waren dergelijke exemplaren reeds
bekend en zijn hier ook beschreven als vz variant type 2, dus zonder F O. Dit
waren steeds oorden met het jaartal 1608 dus ook het exemplaar bij Henzen zal
van het jaar 1608 zijn. Zie hier een exemplaar waarbij het in eerste instantie
lijkt of het jaartal 1606 is maar bij nadere beschouwing toch 1608 blijkt te
zijn.
![]() |
Het wapen op deze types heeft een parelkroon, ronde
onderzijde en geen uitstulpingen aan de bovenzijde.
Over het woord oord zoals dit nog te Friesland werd gebruikt is DIT
een
aardig stukje.
FRI.4: oord.(AvdW 6-9 - PW 6013)
VOORZIJDE: Friese edelman (naar Saksisch voorbeeld) naar rechts met zwaard over de schouder. Links van het borstbeeld staat de letter F en rechts de letter O. Deze afkorting wordt uitgelegd als Frisia Ordines (Friese staat) maar ook als Friese oord.
TEKST:
: NISI. DOMINVS
NOBISCVM. (of variant). Dit betekent: tenzij de Heer met ons is.
KEERZIJDE: Fries wapenschild met een parelkroon en een onderzijde die in een puntje uitloopt. De bovenzijde van het wapen heeft links en rechts een uitstulping. In het wapen twee gaande leeuwen boven elkaar die recht voor zich uit kijken. Onder en naast het wapen zitten krulversieringen.
TEKST:
MO: NOVA: ORDINVM: FRIS. en jaartal: (of variant). De tekst is voluit: moneta
nova ordinum Frisiae, en betekent: nieuwe munt van de staat Friesland.
![]() |
Willem van Vierssen, muntteken
(leeuwtje).
ZJ S
1611 R2
161Z R2
1616 R
Bekende afslagen etc.
ZJ X (zilver)
Voorkomende voor- en keerzijde varianten:
VZ: A:
.NISI. DOMINVS. NOBISCVM.
B:
NISI. DOMINVS. NOBISCV ‚
C:
‚
NISI. DOMINVS. NOBISCVM
D:
‚
NISI. DOMINVS. NOBISCVM.
E:
NISI. DOMINVS. NOBISCVM.
F: ‚ NISI. DOMINVS. NOBISCVM.
G:
NISI. DOMINVS. NOBISCVM.
‚
H:
.NISI: DOMINVS: NOBISCVM.
I:
:
NISI. DOMINVS
NOBISCVM.
J:
:
NISI: DOMINVS: NOBISCVM:
K:
NISI
x DOMINVS x NOBISCVM x
(Zonder jaar)
KZ: a: MO. NOVA. ORDINVM. FRISI.
(Met jaartal)
b:
MONE. NOVA. ORDINVM. FRI. (jaartal)
c:
MONE. NOVA. ORDINVM. FRISI.
(jaartal)
d:
MONE. NOVA. ORDINVM. FRISI.
(jaartal).
e: .MONE. NOVA. ORDINVM. FRI. (jaartal)
f:
MONE: NOVA: ORDINVM: FRI:
(jaartal)
g:
MO NOVA ORDINVM FRISI (jaartal)
h:
MO: NOVA: ORDINVM: FRIS:
(jaartal):
i:
M.O: NOVA: ORDINVM: FRIS. 161.6
Info:
Variant Bb (1611), particuliere collectie.
Variant Kb (1611),
afbeelding VCLS 25
nr.1152.
Variant Ii (1616), particuliere collectie.
ZJ FML
1611 FML AHM
1612 FML
1616 FML
ZJ (zilver 6,00 gram) PW 6013.1
Wettelijk voorschrift: (mij) niet bekend. Het schijnt dat de Friese oorden van het gewicht zijn dat ook in Zeeland werd gehanteerd voor de oorden. Uit een mark kwamen dan ca. 58 stuks wat een gewicht oplevert van 4,24 gram per stuk. In de praktijk viel dit gewicht echter altijd lager uit.
![]() |
Het wapen op deze types heeft een parelkroon, gepunte
onderzijde en uitstulpingen aan de bovenzijde.
Over het woord oord zoals dit nog te Friesland werd gebruikt is DIT
een
aardig stukje De Friese oorden komen voor met de onbekende klop kruis welke
overwegend geplaatst is op de borst van de afgebeelde Friese edelman, zie HIER
een voorbeeld.
FRI.5: oord.(AvdW 10-11 - PW 6014)
VOORZIJDE: Friese edelman (naar Saksisch voorbeeld) naar rechts met zwaard over de schouder. Links van het borstbeeld staat de letter F en rechts de letter O. Deze afkorting wordt uitgelegd als Frisia Ordines (Friese staat) maar ook als Friese oord.
TEKST:
. NISI. DOMINVS. NOBISCVM. (of variant). Dit betekent: tenzij de Heer met ons
is.
KEERZIJDE: Fries wapenschild met een open kroon en een onderzijde die in een puntje uitloopt. De bovenzijde van het wapen heeft links en rechts een uitstulping. In het wapen twee gaande leeuwen boven elkaar die recht voor zich uit kijken. Onder en naast het wapen zitten krulversieringen.
TEKST: MO. NOVA. ORDINVM. FRIS. (of variant). Dit is voluit: moneta nova ordinum Frisiae, en betekent: nieuwe munt van de staat Friesland.
![]() |
Jurrien van Vierssen, muntteken
(leeuwtje).
ZJ
N
1618 R
Bekende afslagen etc
ZJ R4 (zilver)
Voorkomende voor- en keerzijde varianten:
(Zonder jaar)
VZ: A:
.NISI. DOMINVS. NOBISCVM.
B:
NISI. DOMINVS. NOBISCVM.
C:
NIS. DOMINVS. NOBISCVM.
(Jaartal 1618 op voorzijde)
D:
NISI. DOMINVS. NOBISCVM. 1618
KZ: a: MO. NOVA. ORDINVM. FRISI
b: MO. NOVA. ORDINVM. FRIS.
c: MONE. NOVA. ORDINVM. FRIS
d: MONE. NOVA. ORDIN. FRIS
e: MONE. NOVA. ORDIN. FRI.
f: MON. NOVA. ORDINVM. FRI ‚
Info:
Variant Ab (ZJ), particuliere collectie.
ZJ FML
1618 FML
ZJ (zilver 6,80 gram) FML
Wettelijk voorschrift: (mij) niet bekend. Het schijnt dat de Friese oorden van het gewicht zijn dat ook in Zeeland werd gehanteerd voor de oorden. Uit een mark kwamen dan ca. 58 stuks wat een gewicht oplevert van 4,24 gram per stuk. In de praktijk viel dit gewicht echter altijd lager uit.
![]() |
Het wapen op deze types heeft een open kroon, gepunte
onderzijde en uitstulpingen aan de bovenzijde.
Over het woord oord zoals dit nog te Friesland werd gebruikt is DIT
een
aardig stukje.
FRI.6: oord.(AvdW 12-14 - PW 6015/6016)
VOORZIJDE: Friese edelman (naar Saksisch voorbeeld) naar rechts met zwaard over de schouder. Links van het borstbeeld staat de letter F en rechts de letter O. Deze afkorting wordt uitgelegd als Frisia Ordines (Friese staat) maar ook als Friese oord.
TEKST: NISI. DOMINVS. NOBISCVM (of variant). Dit betekent: tenzij de Heer met ons is.
KEERZIJDE: Versierd wapenschild met een open kroon en een onderzijde die in een puntje uitloopt. De bovenzijde van het wapen heeft links en rechts een uitstulping. In het wapen twee gaande leeuwen boven elkaar die recht voor zich uit kijken.
TEKST: .MO. NOVA. ARG. ORDIN. FRI (of variant). De tekst is voluit: moneta nova argentum ordinum Frisiae, en betekent: nieuwe zilveren munt van de staat Friesland.
![]() |
Jurrien van Vierssen, muntteken
(leeuwtje).
ZJ
N
1620 R
Bekende afslagen etc.
ZJ
X (zilver)
ZJ R4 (zilver
vierkant muntplaatje)
Voorkomende voor- en keerzijde varianten:
VZ: A:
.NISI. DOMINVS. NOBISCVM.
B: ‚ .NISI. DOMINVS. NOBISCVM.
C: .NISI. DOMINVS. NOBISCVM.
D: .NISI. DOMINVS. NOBISCVM
E: NISI. DOMINVS. NOBISCVM
F: ( ) NIS. DOMINVS. NOBISC - VM
KZ: a: .MO. NOVA. ARG. ORDIN. FRIS
b: .MO. NOVA. ARG. ORDIN. FRI.
c: .MO. NOVA. ARG. ORDIN. FRI
d: MO. NOVA. ARG. ORDIN. FRI
e: .MO. NOVA. ARG. ORDIN. FR.
f: .MO. NOVA. ARG. ORDIN. FR
g: .MO. NOVA. ARG. ORDIN. F
h: 1620 MO NOVA ARG ORDIN.FRI
i: MO. NOVA. ORDINVM. FRISI. I - 6 - 20
Info:
Variant Ac (ZJ), particuliere collectie.
Variant Dd (ZJ), particuliere collectie.
Variant Fi (1620), particuliere collectie.
ZJ FML
1620 particuliere collectie
ZJ (zilver) PW 6015.1
ZJ (zilver op vierkant muntplaatje 7,20 gram)
Brittish Museum
Wettelijk voorschrift: (mij) niet bekend. Het schijnt dat de Friese oorden van het gewicht zijn dat ook in Zeeland werd gehanteerd voor de oorden. Uit een mark kwamen dan ca. 58 stuks wat een gewicht oplevert van 4,24 gram per stuk. In de praktijk viel dit gewicht echter altijd lager uit.
![]() |
Het wapen op deze typen heeft een open kroon, gepunte
onderzijde en uitstulpingen aan de bovenzijde (gelijk aan type FRI.5). De
tekst bij dit en het volgende type heeft soms de fout ARG. van argentum (zilver) in de tekst. Mogelijk een vergissing vanwege de grote
gelijkenis met het stempel van de zilveren 7 stuiverstukken. Door de letters F
en O op de voorzijde weg te halen en de munt te verzilveren zou hij vroeger voor
een 7 stuiverstuk uit te geven zijn geweest. Over het woord oord zoals dit nog te Friesland werd gebruikt is DIT
een
aardig stukje.
FRI.7: oord.(AvdW 15-20 - PW 6016/6017)
VOORZIJDE: Friese edelman (naar Saksisch voorbeeld) naar rechts met zwaard over de schouder. Links van het borstbeeld staat de letter F en rechts de letter O. Deze afkorting wordt uitgelegd als Frisia Ordines (Friese staat) maar ook als Friese oord.
TEKST:
. NISI. DOMINVS. NOBISCVM. (of variant). Dit betekent: tenzij de Heer met ons
is.
KEERZIJDE: Fries wapenschild met een open kroon en een ronde onderzijde. De bovenzijde van het wapen is nu gewoon recht zonder uitstulpingen. In het wapen twee gaande leeuwen boven elkaar die recht voor zich uit kijken. Onder en naast het wapen zitten krulversieringen.
TEKST: .MO. NOVA. ARG. ORDIN. FR. (of variant). De tekst is voluit: moneta nova argentum ordinum Frisiae, en betekent: nieuwe zilveren munt van de staat Friesland.
![]() |
Jurrien van Vierssen, muntteken
(leeuwtje).
ZJ N
1647 R2
1644 X
1648 R2
1646 R2
1649 X
Bekende afslagen etc.
ZJ
R4 (zilver)
1647 X (piedfort)
1648 R4 (zilver)
Voorkomende voor- en keerzijde varianten:
VZ: A:
.
NISI. DOMINVS. NOBISCVM.
B:
.
NISI DOMINVS. NOBISCVM.
C:
.
NISI DOMINVS. NOBISCVM
D: ... NISI. DOMINVS. NOBISCVM
KZ: a: MO. NOVA. ARG. ORDIN. FRI
b: MO. NOVA. ARG. ORDIN. FR
c: MO. NOVA. ARG. ORDIN. FRIS
d: MO. NOVA. ARG. ORDIN. FRI.
e: MO. NOVA. ARG. ORDIN. FR.
f: MO. NOVA. ARG. ORDIN. F.
g: MO. NOVA. ARG. ORDIN. F
h: MO. NOVA. ARG. ORDIN.
i: MO. NOVA. ARG. ORDIN. FR.
(jaartal)
j: MO. NOVA. ARG. ORDIN. F.
(jaartal)
k: MO. NOVA. ARG. ORDIN. (jaartal)
Info:
Variant Ad (ZJ), particuliere collectie.
Variant Ae (ZJ), particuliere collectie.
Variant Bf (ZJ), particuliere collectie.
Variant Db (ZJ), particuliere collectie.
Variant Ak (1646), particuliere collectie.
ZJ FML
1644 bekend via KPK
1646 FML AHM
1647 KPK FML
1648 FML
1649 PW 6017
ZJ (zilver) FML
ZJ
(zilver 6,80 gram) KPK
1647 (piedfort 7,90 gram) PW 6017.1
1648 (zilver) PW 6017.3
Wettelijk voorschrift: (mij) niet bekend. Het schijnt dat de Friese oorden van het gewicht zijn dat ook in Zeeland werd gehanteerd voor de oorden. Uit een mark kwamen dan ca. 58 stuks wat een gewicht oplevert van 4,24 gram per stuk. In de praktijk viel dit gewicht echter altijd lager uit.
![]() |
Het wapen op deze typen heeft een open kroon, ronde onderzijde en geen uitstulpingen aan de bovenzijde.
Het jaartal 1644 is bekend geworden via melding bij het KPK. Aangezien ik nog
geen afbeelding/origineel heb gezien staat hij nog met een X in de catalogus. Over het woord oord zoals dit nog te Friesland werd gebruikt is DIT
een
aardig stukje. Een oord Friesland is bekend geworden voorzien van drie maal de
klop gekroond hartje, zie HIER de afbeelding. Achtergrond en betekenis van deze
klop niet bekend.
FRI.8: duit.(V.216.3 - AvdW.21 - PW 6001/6002)
VOORZIJDE: Een tulpkrans met daarin de tekst ... / FRI / . / SIA / ...
KEERZIJDE: Fries wapen met twee gaande leeuwen boven elkaar, boven het wapen een kroontje.
TEKST:
. NISI. DOMINVS. NOBISCVM (of variant). Dit betekent: tenzij de Heer met ons is.
![]() |
Willem van Vierssen, muntteken
(leeuwtje).
Voorkomende voor- en keerzijde varianten:
VZ: A: ... / FRI / . / SIA /
...
KZ: a:
.
NISI . DOMINVS . NOBISCVM
b: NISI . DOMIN . NOBISCV .
.
c: (balkje)
. NISI . DOMINVS . NOBISCVM
d: NISI
DOMIN . NOBISCV
.
e:
.
NISI . DOMINVS . NOBISCVM
.
|
I
: Wapen met
boogjes binnen een cirkel van puntjes. II: Recht wapen met versieringen aan de rand. |
![]() |
Info:
Variant AaI (ZJ), afbeelding PW 6001 blz.112.
Variant AcI (ZJ), afbeelding Holleman 145 nr.543.
Variant AdII (ZJ), afbeelding PW 6002 blz.112.
Variant AeI ((15)9Z),
afbeelding bij
"nieuwe
vondsten".
ZJ FML
159Z Particuliere
collectie
Wettelijk voorschrift: (mij) niet bekend.
Het jaartal 159Z is
recent bekend geworden
uit een bodemvondst. De
provincie Holland
was in 1590 begonnen met
het slaan van nieuwe
duiten van het type
"naam binnen
tulpkrans".
Friesland is zo rond 1591
dit type gaan navolgen.
In 1592 is de
ongedateerde oplage
opgevolgd door een
waarschijnlijk zeer
kleine gedateerde oplage
met het jaartal 1592. Het exemplaar zonder jaar in lijst 145 bij Holleman lijkt
als muntteken een balkje te hebben (Reiderschans?).
FRI.9: duit.(V.131.4 - AvdW.22-34 - PW 6003-6005)
VOORZIJDE: Een tulpkrans met daarin de tekst FRI SIA in twee regels met daaronder het jaartal.
KEERZIJDE: Gekroond wapen van Friesland met twee gaande leeuwen boven elkaar. Het wapen heeft kleine versieringen aan de rand en loopt onderin enigszins in een puntje uit.
TEKST: NISI. DNS. NOBISCV. (of variant). Dit is voluit: nisi Dominus nobiscum, en betekent: tenzij de Heer met ons is.
![]() |
Willem van Vierssen, muntteken
(leeuwtje).
1604 R 1612
R2
1605
N 161Z R2
1606
N 1613/11 X
1610 R3
1613 X
1611 R
1616 S
Bekende afslagen etc.
1605 R4
(zilver)
1606 R4 (zilver)
Jurrien van Vierssen, muntteken
(leeuwtje).
1617 N
1618 R2
1619 N
1620 S
Bekende afslagen etc.
1623/21 R3
(contemporaine vervalsing?)
1624 R3
(contemporaine vervalsing?)
1617 R4
(zilver)
Voorkomende voor- en keerzijde varianten:
VZ: A: FRI / SIA / (jaartal)
B: .
.
/ FRI / SIA / (jaartal)
C: IRI / SIA / (jaartal)
D: .. / FRI / SIA / (jaartal)
| 1:
Tulpkrans met twee bollen links en rechts en een rozet boven en onder. De tulpen lopen richting de twee bollen. 2: Tulpkrans met twee bollen links en rechts en een rozet boven en onder. De tulpen lopen richting de rozetten. 3: Tulpkrans met rozet links en rechts en twee bollen boven en onder. De tulpen lopen richting de twee bollen. 4: Tulpkrans met rozet links en rechts en twee bollen boven en onder. De tulpen lopen richting de rozetten. |
![]() |
KZ: a : x NISI x DNS NOBISCVM
b : x NISI x DNS x NOBISCVM
c : x NISI x DNS x x NOBISCVM
d : NISI. DOMIN. .NOBISCVM
e : NISI. DOMINUS. NOBISCV
f : .NISI. DOMINUS. NOBISCV.
g : NISI. DNS. NOBISCVM
h : NISI. DNS. .NOBISCVM
i : .NISI. DNS. NOBISCVM
j : NISI. DNS NOBISCVM.
k : NISI. DNS. .NOBISCV
l : NISI. DNS NOBISCV
m : NISI DNS NOBISCV
n : NISI. DN NOBISCV
o : NISI. DNS. Ê Ê
NOBISCVM
p : NISI. DNS. Ê .NOBISCVM
q : .NISI. DNS Ê .NOBISCVM
r : .NISI. DNS. Ê NOBISCVM.
s : Ê NISI. DNS. Ê
Ê NOBISCVM Ê
t : NISI. DNS NOBISCVM .‚.
u : NISI. DNS NOBISCVM .‚
v :
NISI. DNO. NOBISCVM
w :
.NISI. DNS. NOBSCVM
x :
NISI. DNS. NOBISCVM
y : .NISI. DNS.
.NOBISCVM
z : .NISI. DNS.
NOBISCVM
aa: NISI. DNS
NOBISCVM
ab: NISI. DNS
NOBICVM
ac: .NISI. DNS.
NOBISCVM.
ad: .NISI: DNS.
NOBISCVM.
ae: .NISI. DNS
NOBISCVM.
af: NISI. DNOS
.NOBISCVM:
ag: NISI DNS
NOBISCV
ah: .NISI. DNS
NOBISCV.
ai: NISI. DNS
NOBISCV:
aj: .NISI. DNS
.NOBISCV:
ak: .NISI. DNS.
NOBISCV:
al: NISI. DNS
NOBISCV
am: .NISI. DNS
NOBISCV
an: NISI. DNS
NOBIS.
I :
Open kroon met drie fleurons boven
het wapen.
II: Platte kroon
met geparelde bovenrand boven het wapen.
Info:
Variant A1?I (1604),
particuliere collectie.
Variant A1?I (1604),
particuliere collectie.
Variant A1h? (1605),
particuliere collectie.
Variant A1kI
(1606), particuliere
collectie.
Variant A4?II (1611), particuliere collectie.
Variant A1?I
(1612), particuliere
collectie.
Variant B1?I (1612), afbeelding Henzen lijst 156 nr.1241.
Variant A3?II
(1616), particuliere
collectie.
Variant A2aaI
(1617), particuliere
collectie.
Variant A2??
(1618), particuliere
collectie.
Variant A2?I
(1619), particuliere
collectie.
Variant B1?I
(1620), particuliere
collectie.
Variant D1?I (1620), afbeelding PW 6005
1604 KPK FML
1605 KPK FML AHM
1606 KPK FML
1610 particuliere collectie
1611 KPK FML
1612 KPK
161Z particuliere collectie
1613/11 FML?
1613 PW 6004
1616 KPK FML
1617 KPK FML
1618 KPK FML
1619 KPK FML
1620 KPK FML
1605 (zilver 4,50 gram)
KPK
1606 (zilver
5,30 gram) KPK
1617 (zilver) FML
1620 (zilver) vermeld in
veilingcatalogus
Stephanik nr.3268
Voorschrift: Wettelijk voorschrift: (mij) niet bekend. Sinds 1626 uit een mark 116 stuks.
Op 23 november 1620 verboden de Staten van Friesland de verdere aanmaak van duiten. Van der Wiel vermelde 1613/11 met een vraagteken in de verzameling van het Fries museum. Hij kende toen het jaartal 1612 nog niet dus mogelijk was dit een 1612/11. Het bestaan van het jaartal 1613 is namelijk hoogst twijfelachtig. Recent is wel een exemplaar 1623/21 bekend geworden die mogelijk in verband kan worden gebracht met de observatie van van der Wiel. Dit recent gevonden exemplaar kan door zijn wat afwijkende uitvoering mogelijk een elders geslagen imitatie zijn. In het onderzoek tijdens de oorlogsjaren van de heer van der Wiel naar duiten en oorden in het Fries museum te Leeuwarden9 kwam het jaartal 1612 niet voor. Zijn tweede onderzoek na de oorlog leverde slechts 1 exemplaar op in het KPK. Een interessante variant is een exemplaar met een zeer vreemde 2 in het jaartal gemaakt als een grote dunne letter Z. Dit exemplaar is apart opgenomen als 161Z. Van dit type Friese duiten zijn Reckheimse imitaties bekend welke te herkennen zijn aan afwijkende teksten, jaartallen en wapenschilden. Zie bij Reckheim voor een (volledige) opsomming.
FRI.10: duit.(V.131.5 - AvdW.35-40 - PW 6006)
VOORZIJDE: Een tulpkrans met daarin de tekst FRI SIA in twee regels, daaronder het jaartal.
KEERZIJDE: Gekroond wapen van Friesland met twee gaande leeuwen boven elkaar. Het wapen heeft geen versieringen meer, is aan de onderzijde ronder en heeft aan de bovenzijde twee instulpingen.
TEKST: .NISI. DNS. NOBISCVM. (of variant). Dit is voluit: nisi Dominus nobiscum, en betekent: tenzij de Heer met ons is.
![]() |
Jurrien van Vierssen, muntteken
(leeuwtje).
1626 N
1627 R2
1629 N
1643 X
Bekende afslagen etc.
1626 R
(vals)
1626 R4
(zilver)
1633 R4
(vals)
Gillis van Vierssen, muntteken
(leeuwtje).
1644
S
1645 R2
1646/44 S
1646 S
1647/29 R2
1647 S
1648 S
Bekende afslagen etc.
1647 R2
(vals)
1648 X
(zilver)
Coenraad Raerd, muntteken
(leeuwtje).
1653 R4
(zilver)
1653 R4 (goud)
Daniël Valckenier, muntteken
(leeuwtje).
1658/47 R3
1663 R2
Bekende afslagen etc.
1663/63 R2
Voorkomende voor- en keerzijde varianten:
VZ: A: . / FRI / .SIA. / (jaartal)
/ .
B: . / FRI / .SIA. / (jaartal)
C: FRI / .SIA. / (jaartal)
D: FRI / SIA / (jaartal)
| 1: Tulpkrans met twee bollen links en rechts en een
rozet boven en onder. De tulpen lopen richting de twee bollen. 2: Tulpkrans met twee bollen links en rechts en een rozet boven en onder. De tulpen lopen richting de rozetten. 3: Tulpkrans met twee bollen links en rechts en een rozet boven en onder. De tulpkrans loopt rechtsom door. 4: Tulpkrans met rozetten links, rechts, boven en onder. De tulpkrans loopt links om door. 5: Tulpkrans met rozetten links, rechts, boven en onder. De tulpkrans loopt rechtsom door. 6: Tulpkrans met twee bollen links en rechts een een rozet boven en onder. De tulpkrans loopt rechtsom door. |
![]() |
KZ: a: NISI. DNS. .NOBISCVM.
b: .NISI. DNS. NOBISCVM.
c: NISI. DNS. NOBISCVM.
d: NISI. DNS NOBISCVM.
e: .NISI. DNS. NOBISCVM
f: NISI. DNS. NOBISCVM
g : NISI. DNS NOBISCVM
h: NISI DNS. NOBISCVM
i: NISI DNS NOBISCVM
Info:
Variant A5b (1626),
particuliere collectie.
Variant A6b (1627), particuliere collectie.
Variant D?? (1629),
particuliere collectie.
Variant D1f
(1644), particuliere
collectie.
Variant C??
(1646), particuliere
collectie.
Variant D3?
(1648), particuliere
collectie.
Variant D1?
(1653), particuliere
collectie.
1626 KPK FML AHM
1627 KPK
1629 KPK FML
1643 AHM
1644 VCLS 23 nr.784
1645 KPK
1646 KPK FML
1647 KPK FML
1648 KPK FML
1653/48 PW 6006
1653 KPK FML AHM
1654 particuliere collectie
1658/47 particuliere collectie
1663 KPK
1663/63 particuliere collectie
1626 (vals) Bos blz. 102/103.
1626 (zilver 3,40 gram)
KPK
1626 (zilver 2,30 gram) PW 6006.3
1648 (zilver) AHM
1653 (zilver 2,95 gram)
FML
1653 (zilver 3,70 gram)
KPK
1653 (zilver 4,50 gram)
FML
1653 (goud 3,50 gram) KPK
Wettelijk voorschrift: (mij) niet bekend. Van 10 november 1627 tot 27 november 1629 was de aanmaak van duiten en oorden verboden. In 1648 werd weer een verbod op de aanmunting van kopergeld afgekondigd en moest de muntmeester zijn stempels inleveren. Op 18 november 1653 werd weer machtiging gegeven om duiten te slaan.
De normale tulpkrans op de
exemplaren uit de periode 1626-1629 is die met boven, onder, rechts en links een
rozet. Van 1626 bestaan exemplaren met links en rechts twee bollen (vruchten) in
de tulpkrans. Deze variant is zeldzamer, zie hier een afbeelding.
Recent is een vals exemplaar bekend geworden van dit type met het jaartal 1633
en met afbeelding gepubliceerd in De Beeldenaar16.
De
jaartalwijziging 1658/48 is bekend geworden
via melding bij het geldmuseum. Aangezien nu echter een zeer duidelijke 1658/47 gemeld
is (zie afbeelding) denk ik dat het geen 1658/48 is geweest maar een 1658/47. Bij munthandel G. Henzen werd in de novemberlijst 2000
onder nummer 1682 een overslag 1653/44 aangeboden. Omdat hier mogelijk
verwarring kan bestaan met de overslag 1653/48 is deze (nog) niet opgenomen.
De jaren 40 uit deze
serie hebben vaak zeer
slecht leesbare
jaartallen. Aan sommige jaartallen uit deze serie moet dan ook getwijfeld worden
of zij wel bestaan. Veel duiten uit de jaren 40 lijken ook een overslag over een
ouder jaartal. Ik heb hier een 1646 over 1644 opgenomen omdat deze mij wel
duidelijk lijkt. Mogelijk
bestaat ook de
jaartalwijzing 1647/46 maar deze is nog zeer onzeker.
Een bijzonder jaartalwijziging is de 1663 over 1663.
Hier heeft de stempelsnijder de 3 in het jaartal per ongeluk op zijn kop in het
stempel geslagen. Dit is nog te zien aan de hoek linksonder van de zogenaamde
"8". Vervolgens heeft hij de fout gecorrigeerd door de 3 er correct op te
zetten. Het lijkt nu echter net of er een cijfer 8 staat.
Van de Friese duiten zijn
talrijke Reckheimse imitaties bekend, zie bij Reckheim voor een
(volledige) opsomming. Van de duiten uit de periode 1626-1629 bestaan overslagen
op Duitse koperen muntjes. Bekend zijn o.a. overslagen op 3 pfennig munten van hertog Hans Albrecht van Mecklenburg-Güstrow (1610-1628)10.
Gedurende de 30-jarige oorlog liep de inflatie in Duitsland hoog op (zgn. Kipper
und Wipper zeit). Er werd ook veel kopergeld geslagen dat in Duitsland echter
niet populair was en men trachtte dit zo snel mogelijk weer in te trekken.
Mogelijk zijn grote partijen van dit ingetrokken kopergeld verkocht naar
munthuizen in het oosten van Nederland. In Nederland werden koperen duiten en
oorden juist wel veel gebruikt. Onder andere het Friese munthuis heeft de Duitse
muntjes gebruikt als grondstof voor de Friese duiten.
FRI.11: duit.(V.131.6 - AvdW.41 - PW 6007)
VOORZIJDE: Leeuwtje met daaronder FRISIA in één regel en het jaartal.
KEERZIJDE: Gekroond wapen van Friesland met de twee gaande leeuwen boven elkaar. Het wapen heeft geen versiering en er staat geen tekst meer omheen.
![]() |
Daniël Valckenier, muntteken
(leeuwtje).
1672 R2
Voorkomende voorzijde varianten:
VZ: A:
/ FRISIA / (jaartal)
Info:
Variant A (1672), afbeelding PW 6007 blz.117.
1672 KPK HNM FML AHM
Voorschrift: machtiging van de Staten van Friesland van 17 november 1671.
Een duit van dit type met het jaar 1671 zou voorkomen (Neumann11 nr. 12340 en Reinhardt nr. 4885) maar is zo onzeker dat deze niet is opgenomen.
FRI.12: duit.(V.131.7 - AvdW.42-47 - PW 6008)
VOORZIJDE: Een leeuwtje tussen twee versieringen, daaronder FRISIA in één regel en het jaartal tussen twee rozetten/bollen. Onder het jaartal een rozet tussen versieringen.
KEERZIJDE: Gekroond wapen van Friesland met twee gaande leeuwen boven elkaar. Het wapen heeft aan de rand weer versieringen.
![]() |
Daniël Valckenier, muntteken
(leeuwtje).
1675 N
1685 N
1681 N 1686 N
1682 N 1688 X
1684 R2
Bekende afslagen etc.
1675 R4
(zilver)
1681 R4 (zilver)
1682 R2 (vals)
1685 R4 (zilver)
1686 R2 (vals)
1690 R4 (zilver)
1691 R4 (vals)
Voorkomende voorzijde varianten:
VZ: A: FRI.SIA / (jaartal)
B: FRI.SIA / .(jaartal).
C: FRI.SIA /
X(jaartal)X
D: FRISIA /
X(jaartal)X
E: FRISIA /
+(jaartal)+
F: FRISIA /
(rozet)(jaartal)(rozet)
G:
FRI.SIA
/ (bolletje)(jaartal)(bolletje)
H: FRISIA /
.(jaartal).
1: Kleine leeuw
boven FRISIA.
2: Grote leeuw
boven FRISIA.
a:
Jaartal met Romeinse I.
b:
Jaartal met 1 waarvan de voet is gespleten.
KZ: I :
Versierd
wapenschild.
II:
Onversierd
wapenschild.
Info:
Variant A2aI (1675), particuliere collectie.
Variant B2bI (1675), particuliere collectie.
Variant D2bI (1675), particuliere collectie.
Variant A2bI (1675 zilver 7,60 gram), afbeelding
jaaroverzicht 1987 blz.168.
Variant C1bI (1681), particuliere collectie.
Variant C1bI (1682), particuliere collectie.
Variant A1aI (1685), particuliere collectie.
Variant C1bI (1686), particuliere collectie.
Variant D1bI (1686), particuliere collectie.
Variant F1bII (1690 zilver), afbeelding jaaroverzicht 1988
blz.181.
Variant H2bI (1691 vals), afbeelding VCCI 57 nr.144.
1675 KPK HNM
FML AHM
1681 KPK FML
1682 KPK HNM
FML AHM
1684 Particuliere collectie en FML?
1685 KPK HNM
FML
1686 KPK HNM
FML AHM
1688 KPK? AHM?
1675 (zilver 2,80 gram) PW 6008.1
1675 (zilver 5,20 gram)
FML
1675 (zilver 7,60 gram) Jaaroverzicht 1987
1681 (zilver) VCLS 13 nr.954.
1681 (zilver 2,50 gram) PW 6008.3
1681 (zilver 2,80 gram) PW 6008.1
1682 (vals) Bos blz. 103.
1685 (zilver 2,80 gram)
HNM
1686 (vals), particuliere collectie
1690 (zilver 2,80 gram)
KPK
1690 (zilver 4,10 gram)
KPK
1691 (vals) VCCI 57 nr.144
Wettelijke voorschrift: nadat er in 1675 duiten zijn geslagen
verboden de gedeputeerde Staten van Friesland volgens resolutie van 17/27
februari 1676 verdere aanmunting. In 1681 is er blijkbaar weer toestemming tot
aanmunting gegeven waarna op 27 maart 1688 de muntmeester opdracht kreeg om geen
duiten meer te slaan. Op 1 maart 1689 werd een verbod op de aanmaak van duiten
afgekondigd.
Ik schreef eerder dat aan de jaren 1684 en 1688 die hier en daar vermeld werden sterk getwijfeld
moest worden. Het jaar 1684 is nu met duidelijk jaartal terug gevonden (zie
foto) en is ook gemeld in het Fries museum te Leeuwarden maar deze kan ik nog
niet bevestigen. Het KPK, nu opgenomen in het nationale geld en bankmuseum zou
een 1688 bezitten maar deze kan ik ook nog niet bevestigen. In het jaar 1687 zijn geen
duiten geslagen en mogelijk wilde de muntmeester in 1688 hier weer mee beginnen
maar werd hem dit verboden. De exemplaren die wel voor 1688 worden aangezien
zijn van 1685. De 5 in dat jaartal is soms zo gevormd dat deze op een cijfer 8
lijkt. Van de jaren 1686 en 1691 bestaan valse exemplaren. Beide jaren zijn met
1 exemplaar aanwezig in de vondst Brabant 1701. Soms komen misslagen of
foutslagen voor zoals DEZE van Friesland. Waarschijnlijk is een geslagen duit
aan het stempel blijven hangen en heeft niet het stempel maar de aanklevende
munt een zijde van de munt geslagen.
FRI.13: duit.(V.131.7
- AvdW.48-52 - PW 6009)
VOORZIJDE: Een leeuwtje tussen twee versieringen, daaronder FRISIA en het jaartal tussen twee rozetten. Onder het jaartal staat een rozet tussen versieringen.
KEERZIJDE: Gekroond wapen van Friesland met de twee gaande leeuwen boven elkaar. Het wapen is heeft nu grote krulversieringen aan de zijkant.
![]() |
Daniël Valckenier, muntteken
(leeuwtje).
1702 N
Bekende afslagen etc.
ZJ
X (hybride kz×kz)
1702 X (koper piedfort)
1702 R2 (zilver)
1702 R4 (goud)
1703 R3 (zilver)
1703 R4 (zilver
op vierkant plaatje)
1703 R4 (goud)
Herbert Marinus, muntteken
(leeuwtje).
1715 X
1717/16 X
1717 N
Bekende afslagen etc.
1717/16
X
(zilver)
1717 R3 (zilver)
1717 R4 (goud)
Henricus Dortsman, muntteken
(leeuwtje).
1723 N
1724 S
Bekende afslagen etc.
1723 R2
(zilver)
1724 R2 (zilver)
Voorkomende voorzijde varianten:
VZ: A: Jaartal
met Arabische 1.
B: Jaartal met
Romeinse I.
C: Klein
jaartal met Arabische 1.
1: Kleine leeuw
boven FRISIA.
2: Grote leeuw
boven FRISIA.
Info:
Variant A1 (1702), particuliere collectie.
Variant A2 (1702 zilver),
VCLS 25 nr.1153.
Variant B1 (1717), particuliere collectie.
Variant B1 (1723), particuliere collectie.
1702 KPK HNM
FML
1715 PW 6009 (vermeld bij
J. Schulman juni 1928
no.236)
1717/16 VCLS 21 nr.480?
1717 FML
1723 FML
1724 FML
ZJ (hybride kz×kz) PW 6009.1
1702 (piedfort 5,50 gram) PW 6009.2
1702 (zilver 3,75 gram)
VCLS 25 nr.1153
1702 (zilver 3,90 gram)
FML
1702 (zilver 5,65 gram)
FML
1702 (goud 3,85 gram) VCLS 24 nr.574
1703 (zilver 1,70 gram)
KPK
1703 (zilver 2,50 gram) PW 6009.6
1703 (zilver 3,55 gram)
FML
1703 (zilver 4,60 gram)
KPK
1703 (zilver op vierkant plaatje 5,30 gram)
HMA (collectie Lopez
Suasso)
1703 (goud 3,80 gram) PW 6009.12
(vermeld bij J. Schulman
november 1925 nr. 816)
1717/16 (zilver 3,70 gram) PW 6009.9
1717 (zilver 2,40 gram)
KPK
1717 (zilver 3,20 gram)
FML
1717 (zilver 3,70 gram)
KPK
1717 (zilver 6,50 gram)
KPK
1717 (afslag op een ruiterschelling van Groningen) Jaarboek
1988
1717 (goud 3,80 gram) FML
1723 (zilver 2,20 gram)
KPK(2)
1724 (zilver 3,30 gram)
FML
Wettelijk voorschrift: (mij) niet bekend. De duiten van 1715 en 1717 zijn waarschijnlijk geslagen in navolging van een resolutie van de Staten van Friesland van 31-08-1715.
Deze duiten zijn van een zwaardere uitvoering in navolging
van de andere provincies. De duit van 1715 wordt vermeld door Purmer en van der
Wiel en in een lijst van J. Schulman van juni 1928 (nr.236).
OPMERKINGEN:
KPK=KONINKLIJK
PENNINGKABINET (LEIDEN)
HNM=HET NEDERLANDS
MUNTMUSEUM (UTRECHT)
FML= FRIES MUSEUM
LEEUWARDEN
HMA=HISTORISCH MUSEUM
AMSTERDAM (COLLECTIE
LOPEZ SUASSO)
Noten:
1: Zie o.a. B.H.J. te
Boekhorst De geschiedenis van de Friese muntslag
Muntkoerier
10 & 11 jaargang 1994, Omni-trading b.v.
2: De stad Dokkum is in dit rijtje pas
sinds kort bekend geworden door een detector vondst van een halve
Kromstaart
uit ca. 1430-1440. Zie voor een artikel over deze vondst H. Jacobi en B.J. van
der Veen
Een
onbekende munt van Dokkum, verschenen in Muntkoerier 4 van 2000 blz.24-26.
3: Zie J.C. van der Wis Zeemeerminnen,
sirenen of zeemeermannen. De muntmeesters Egbert en Herbert
Marinus
en hun tekens. Verschenen in "de Beeldenaar" maart/april 1987.
4: Was in 1625 leerling goudsmid bij zijn
vader en sinds 1642 mr. goudsmid en juwelier te Leeuwarden.
Hij
overleed in 1677.
5: Dr. H.E. van Gelder Een miskende
Nederlandse muntsoort
Verschenen in het jaarboek van
de vereniging voor munt en penningkunde (JMP) 1980 blz. 229-230.
6: Bron: encyclopedie van munten &
bankbiljetten. Losbladig naslagwerk, Bohn, Stafleu, Van Loghum.
7: E. Schaaf Onbekende munt van
miskende soort, of een nieuwe oord van Friesland uit muntvriendelijke
bodem
Verschenen in "de Beeldenaar" 1988 blz. 253.
8: De museumgids was een uitgave van Pampus associates, Amsterdam 1992. Tot
stand gekomen
in samenwerking met
Rijksmuseum het Koninklijk Penningkabinet en het Koninklijk Genootschap
voor Munt- en
Penningkunde. De op blz.65 afgebeelde munt bevind zich in de collectie van het
KPK.
9: A. van der Wiel, Jaarboek van de vereniging voor Munt en Penningkunde van
1941 (JMP 28) en een naschrift in die van
1946/47 (JMP 33/34).
10: Zie P.F.L. de Groot Nog een Friese overslag
Verschenen in de Beeldenaar september/oktober 1990 blz.182.
11: J. Neumann Beschreibung der bekanntesten kupfermünzen, Praag 1860.
12: Bron: versie van http://www.hoogakker.info/info/genealogy/databases/Groningen/html/10864.htm
zoals opgeslagen
in het cachegeheugen van Google op 10 okt 2007.
13: Bron van deze informatie is de website
http://www.allemaalfamilie.nl met
een kwartierstaat van Willem Alberts.
14: Bron: http://www.dbnl.org
15: Bron http://members.home.nl/w.quant/Parenteel%20van%20Margaretha%20Truchsess%20van%20Waldburg.htm
16: R. Wientjes / Willem van den Nieuwenhof, Muntmelange; Een Friese (?) duit met het jaartal 1633.
Verschenen in De Beeldenaar november/december 2008 blz.277. Ondanks dat de auteurs reeds een vraagteken
in de kop van het artikel plaatsen en zij ook stellen dat de munt een onbeholpen indruk maakt, willen zij geen
definitieve conclusie trekken of het hier gaat om een contemporaine vervalsing of om een origineel exemplaar
uit het Friese munthuis. De munt is echter met dermate primitieve stempels gemaakt dat het naar mijn mening
niets anders dan een (particuliere) contemporaine vervalsing kan zijn.
17: Dit werd mij medegedeeld door de heer W.J. van Viersen, zie ook http://www.willemvanviersen.nl
Literatuur:
Schneider, Konrad. - Pfennige - Heller - Kupfergeld, Kleingeld im Rheinland vom Spatmittelalter bis ins 19. Jahrhundert.
Numismatische Gesellschaft Speyer. Speyer 2003.